Drie Hoefijzers
Zes herenhuizen en een verdwenen herberg
De geschiedenis van percelen D486 en D487
Op de plek waar vroeger Herberg Het Groene Woud stond — met een moestuin, kegelbaan en pleziertuin — staan nu zeven woningen: zes herenhuizen en één afwijkend, oud huis dat nog een heel klein beetje herinnert aan de vroegere functie. Het gaat om de adressen Ceresstraat 21, 23, 25, 27, 29, 31 en 33.
Dit stuk probeert de transformatie van deze grond te reconstrueren: van herberg en tuin tot woonbebouwing, op basis van kadastergegevens, krantenarchieven en andere historische bronnen.
Dit hobbymatig project wordt regelmatig aangevuld en aangepast. Commentaar/ feedback is welkom.
Kadastrale Minuutplan 1824
In 1823-1824 werd de gemeentegrens van Breda vastgesteld. Op de kadasterkaarten uit 1824, de zogenaamde minuutplannen, is goed te zien hoe de oude stadsmuren liepen en wie eigenaar was van welke percelen.
Op de huidige locatie van Ceresstraat 21 t/m 33 lagen destijds de percelen D486 en D487.
- Perceel D486 bestond uit een woning met erf (rood blokje) en een berging (geel vlak), met een gezamenlijke oppervlakte van 1.150 m². Op dit perceel staan nu de woningen Ceresstraat 33, 31 en twee derde van het pand nummer 29.
- Perceel D487 was in 1824 ingericht als moestuin, met een oppervlakte van 790 m². Op dit perceel bevinden zich nu de woningen Ceresstraat 29 (één derde deel), 27, 25, 23 en 21.
Beide percelen waren in 1824 eigendom van Jan Baptist Beekmans, tapper van beroep, samen 1.940 m2, wat overeenkomt met de verkoopadvertentie in de krant.
De woning van Beekmans keek iig in 1824 uit over hooiland – de singel/gracht – en dan ter hoogte van de Oranjesingel tegen de vestingwerken aan. In die periode was het ook het laatste huis vóórdat men de stad Breda binnen ging.
De percelen lagen aan een straat die was aangelegd in 1682, bestraat in 1692, als nieuwe uitvalsweg in de richting van Den Bosch. In dat jaar werd de Bosschepoort in verband met de reconstructie van de vestingwerken verplaatst naar wat nu de Korte Boschstraat heet.
Maar de Teteringsedijk was al in de 12-13 eeuw aangelegd en lange tijd maakte een deel van de Ceresstraat onderdeel uit van de Teteringsedijk.Het was een gehucht en liep van de vesting tot de driesprong (iets verder dan de huidige driesprong waar ook herberg de Posthoorn lag.) Zo staat het in de adresboeken vermeld en zo is het te zien op oude kaarten van Teteringen.
De burgemeester van Teteringen, Sutorius, heeft ook 14 jaar in de Ceresstraat gewoond op nummer 29. Hij vertrok na de annexatie van Breda in 1927 in 1934. De panden van de brouwerij west in de Ceresstraat hoorden bij gemeente Breda en vanaf de Luciferfabriek(Ceresplein) was het grondgebied van Teteringen.
Daarnaast was ook perceel D483 eigendom van Jan Baptist Beekmans, eveneens aangeduid als moestuin, met een oppervlakte van 3.070 m². Op dit perceel bevinden zich nu de woningen aan de Ceresstraat 41, 43, 45 en 47, evenals enkele woningen aan de Hoge Steenweg.
Op de kaarten is ook te zien dat Beekmans twee percelen bouwland bezat aan de zuidzijde van de Teteringsedijk: D309 en D310. Samen beslaan deze percelen 19.200 m². In latere jaren zal zijn vrouw deze gronden verpachten en nog wat later verkopen zijn kinderen de grond.
In totaal was meneer Beekmans in 1824 eigenaar van 24.210 m² grond.





Zoals op de tekst bij de kaart te zien is, liggen de percelen D486 en D487 in Teteringen op een locatie die destijds bekend stond als “De Bijvang”. Wat is nu eigenlijk De Bijvang?
Uit het document Cultuurhistorische Landschapsinventarisatie Gemeente Breda – deel 3, Reconstructie van het historisch landschap blijkt dat dit gebied tot de historische Vrijheid van Breda ( is het gebied waar de middeleeuwse stadsvrijdom gold) kan hebben behoord. In dat document staat het volgende op pagina 179:
De Vrijheid van Breda. Het volle stadsrecht van Breda gold alleen binnen dit gebied, dat dus veel kleiner was dan het gebied waarover de Bredase schepenen bevoegd waren en dat tot 1800 ook Teteringen omvatte. Of het vrijheidsgebied al in 1212/1216 zo groot was is onbekend. Mogelijk beperkte het zich toen nog geheel tot de oostelijke oever van de Mark. De in 1280 uitgegeven gemeynte van Breda lijkt in 1597 geheel tot de Vrijheid te behoren. De toen afgegeven getuigenissen en de rond 1659 gemaakte kaartjes lieten toe de grens min of meer betrouwbaar te reconstrueren. Ook is gebruik gemaakt van kaartjes uit 1823-1824 toen de gemeentegrens van Breda bepaald moest worden.
We volgen de grens vanaf de Mark ten noorden van Breda, met de klok mee. De kaartjes van 1823-24 leggen de grens op de Krochtdijk en voegen heel de Belcrum polder bij de Bijvang. Dan een stukje Terheijdense Weg en vervolgens ten zuiden van de herberg De Druif langs een perceelsgrens oostwaarts. Die lijn is doorgetrokken getekend, maar de kadasterkaart laat zien dat de perceelsgrenzen niet zo lopen! Vermoedelijk werd het beekje ter plaatse bedoeld, maar dat komt ten noorden van De Druif aan de Terheijdense Weg. Dan gaat het met grote hoeken langs het Biesdonkwegje, door de bocht waar het Vuchtstraatje op de Baliëndijk aansluit, en dan een lange rechte sloot naar het zuiden. Heel deze lijn is een waterloop, de gegraven bovenloop van genoemd beekje. Dat gaat precies door de duikers. De kadasterkaart noemt de hier door Breda geclaimde hoek ter weerszijde van het Vuchtstraatje: “De Bijvang”!
De kaartjes uit 1823-24 leggen aan de zuidoostzijde de grens van de Bijvang op de in 1683 aangelegde Loopschans. Ofwel was dat ruimer dan de oude Bijvang, ofwel moeten we toch het gedeelte van de Breda Aard aldaar (de “slurf” van Teteringen) tot de Bijvang rekenen. De verklaringen uit 1597 laten die mogelijkheid open en zo is het getekend. Aan de zuidzijde van de stad claimt Breda in 1823-24 slechts de “Grote Spie”. De verklaringen uit 1597 en ook de kaartjes van 1659 leggen de grens wat zuidelijker en die hebben we geprobeerd te reconstrueren.




De Bijvang
Vuchtstraatje en de Lazarije
Wat staat er nog meer in het Cultuurhistorische Landschapsinventarisatie Gemeente Breda – deel 3, Reconstructie van het historisch landschap over de Bijvang en het Vuchtstraatje, thans Brouwmeesterstraat? Gewoon, uit nieuwsgierigheid..
- blz 95: Beemdenweg: Vuchtstraatje. Oudtijds genaamd Lazarijsteeg omdat aan de stadse kant de Lazarije stond. (Een beemdenweg leidt de beemden in en loopt meestal dood, maar dus niet altijd. Beemden zijn laaggelegen, vochtige graslanden die als hooiland of weiland werden gebruikt, vaak gelegen in overstromingsgevoelige gebieden en ongeschikt voor akkerbouw door de natte bodem.
- blz 188: Lazarije. Al vermeld in 1411 als “by der zieker liede”. Deze verblijfplaats voor leprozen stond net buiten de stad maar nog wel binnen de Bijvang. In 1550 werd het gebouw gerepareerd en in 1574 werd het op bevel van de Spaanse stadsgouverneur afgebroken. Het Vuchtstraatje heette ook wel Lazarijsteeg.
De stadse kant is dus de westzijde van de Vuchtstraat. Je zou dan geneigd zijn te denken dat de Lazarije aan de linkerzijde van de vuchtstraat heeft gestaan, ergens begin, halverwege of aan het einde van de straat.
In het boek van Abraham Jacob Aa uit 1845: Geschiedkundige beschrijving van de stad Breda en hare omstreken is op pagina 133 interessante informatie te vinden over de Ceresstraat, die toen nog deel uitmaakte van de Teteringsche Dijk en de Bijvang. Dit is dus 21 jaar na de opstelling van de kadastrale minuutplannen waarin te vinden is dat Jan Beekmans eigenaar is van de percelen en tapper van beroep is.
Het gehucht Teteringsche-dijk, ½ uur west van Teteringen, ligt aan de straatwegen van Breda op Utrecht en op ’s Hertogenbosch, welke even boven dit gehucht elkander rechts en links verlaten, terwijl een zandweg tusschen beide door op Dongen loopt. Dit gehucht bestaat uit 19 huizen, ten noordzijde van den grooten weg gebouwd, waaronder drie wel bezochte herbergen, van welke die genaamd het Groenewoud, op zon- en feestdagen druk bezocht wordt door de fatsoenlijke lieden uit Breda. Men telt er 125 inwoners.
Even boven dit gehucht heeft men eene plaats de Vuilebras genoemd, waarschijnlijk omdat de weg op Dongen, daar zeer breed zijnde, er eene waterpoel vormt. In de nabijheid staat eene herberg, mede vroeger de Vuilebras, thans echter de Posthoorn geheeten.
Niet ver van daar, in de nabijheid van het Kadettenkamp, ligt een teer aangenaam buitentje, groot 1 bund. 29 v.r., hetwelk in eigendom bezeten wordt door Mevrouw de weduwe B.A. Kersten. Nabij dit gehucht stond vroeger de gerechtsplaats der stad Breda, alwaar de doodstraffen plagten te geschieden, doch na het begin der vorige eeuw heeft zulks aldaar niet meer plaats gehad.
Vroeger stond aan de noordzijde van de Teteringsche Dijk de lazerij of het Leprozenhuis der stad Breda, hetwelk op bevel van den Spaanschen Gouverneur de St. Rèmy in het jaar 1574 is afgebroken, zoodat er thans niets meer van te vinden is.
Kortom, de Teteringsche Dijk was rond 1845 een gehucht met 125 inwoners en 19 huizen, gebouwd aan de noordzijde van de weg. De herbergen worden genoemd in volgorde van nabijheid tot de stad: van dichtbij tot ver buiten Breda. Op de kadastrale kaart van 1824 zijn er 17 huizen te tellen aan de noordzijde van de weg. De Lazerije lag aan de noordzijde van de Teteringse Dijk.
Ook in het boek van Thomas van Goor, dat ongeveer 110 jaar eerder werd geschreven dan dat van Abraham Jacob van der Aa, namelijk in 1735 (Beschrijving van de stad Breda), is op de bladzijden 109–110 informatie te vinden over de Lazarije. In zijn tijd was de Lazarije daar al sinds circa 161 jaar niet meer gevestigd. De Ceresstraat en de Teteringsche Dijk worden in dit werk aangeduid als de Teteringsche Weg. ”De Lazarijesteeg die uitkomt op de Teteringsche Weg, buiten de stadswallen”. Van der Aa baseerde zich waarschijnlijk op dit werk.
Een publicatie op Planviewer, pagina 5, over de aanleg van de HOV-lijn doet er niet moeilijk over en schrijft:
Iets verder naar het westen doorkruist het gebied de loop van het Vuchtstraatje, een oude beemdenweg die vroeger Lazarijesteeg heette. Aan deze weg stond de opvang voor leprozen. Aan weerszijden van de Teteringsedijk lag het Voortbos.
Op de website van Erfgoed Breda staat het volgende :
De straat ontleende deze naam aan de Lazarij die stond op de hoek van het Gasthuiseinde (Boschstraat) en dit straatje.
De kaart waar deze ‘hoek’ op te zien is, is nog niet gevonden.
Familie Beekmans
Kadaster
Terug naar de eigenaar van de percelen D486/D487, Jan Baptist Beekmans. Jan werd geboren/ gedoopt in Oosterhout op 8 januari 1769. Zijn ouders waren Cornelius Jacobus Beeckmans en Wilhelma Joannes Neelneef. Een andere geboortedatum kan zijn 1 april 1767.
Op 21 juli 1793 trouwde de 24-jarige Jan met de 22-jarige Elisabeth Bastiaansen. Zij werd gedoopt in Teteringen op 14 juni 1771, als dochter van Martinus (Maarten) Nicolaas Bastiaense en Maria Adriaan van der Schoot.
- Een jaar na hun huwelijk kregen zij hun eerste kind, Cornelius, gedoopt op 2 augustus 1794.
- Maria Adriana op 5 juli 1796
- een derde kind, Elisabetha op 14 juli 1798, zij komt te overlijden op 20 november 1798
- Elisabeth, gedoopt op 4 juli 1800
- Wilhelmia Beekmans op 26 oktober 1802
- Martinus Beekmans op 14 september 1804 , Elisabeth was toen 33 jaar.
- Antonia Beekmans, 23 maart 1809
- Jacqueline Guilhelmine Beekmans op 12 juli 1811, Elisabeth was toen 40 jaar oud en Jan staat als timmerman te boek
Op 6 of 8 september 1803 komt er een kind te overlijden. Vermoedelijk Elisabeth geboren in 1800.
Op 21 april 1808 komt de vader van Elisabeth te overlijden. Hij was herbergier van de Nieuwe Posthoorn aan de Teteringsedijk en is daar ook overleden. Op 9 mei 1808 werd het testament van Martinus Bastiaansen behandeld bij de notaris. Ze hebben nog niet besloten deze nalatenschap te aanvaarden of te verwerpen; plegen acte van acrediteit onder protest. Tegenpartij: broers en zusters van Martinus Bastiaansen. Een maand later koopt Jan de Nieuwe Posthoorn van Martinus Beekmans erfgenamen. Het is 120 roeden groot en ligt in sectie E no 3.
Een paar maanden later op 25 juli 1808 leent Jan 200 gulden van Gerardus van Ham met de afspraak dit in twee jaar terug te betalen. In de akte op pagina 415, akte 72.
Anderhalve maand na de geboorte van haar laatste kind, Jacqueline, komt haar tweede kind Maria Adriana te overlijden op 27 augustus 1811 op 15-jarige leeftijd. Marie is thuis overleden op No 85 aan de Teteringsche Dijk.
Op 25 juni 1816 liet Jan Beekmans een nieuw testament opstellen,waarin hij verklaarde al zijn bezittingen, zowel in eigendom als in vruchtgebruik, na te laten aan zijn vrouw Elisabeth Bastiaansen. Er staat dat hij enigszins ziekelijk zijnde van lichaam is. 14 jaar later komt hij te overlijden.
In 1823 zorgt Jan ervoor dat er een plaatsvervanger voor Martinus komt om bij de Militaire Militie te gaan.
Op 9 december 1825 een acte over Jan Baptist Beekmans zelf, een verbintenis en toestemming voor Jan Baptist Beekmans te Teteringen ten behoeve van het Departement van oorlog om een houten schuur te bouwen in de Verboden Kring.
Commissaris Generaal van Oorlog; het is toegestaan geworden een houten schuur op een stenen… dak? Lang 14 ellen en breed 7 ellen en 50…bij zijn woning te mogen bouwen, onder bepaling dat hij zich verbind, gelijk hij comparant verklaard zich……..bij deze te verbinden, om op de eerste aanzegging van, of vanwege het Departement van Oorlog, om welke reden dan ook, deze zijne schuur, dadelijk afbreken en de afkomende materialen, buiten den Verboden Kring dan 1130 ellen (789,8 meter) der Vestingwerken der Breda te vervoeren, zonder voor deze afbraak of vervoering immer enige de minste schadevergoeding te kunnen ontvangen noch begeren.
Jan Baptist Beekmans overlijd op 17 september 1830 rond 1 uur in de namiddag in het huis staande aan de Teteringschen-Dijk Wijk E 84. Hij is 66 jaar oud geworden (beide gevonden doopdata komen niet overeen met deze leeftijd, de naam van zijn ouders klopt wel). Zijn vrouw Elisabeth is dan 59 jaar, hun oudste zoon 37 jaar en de jongste dochter 19 jaar. In zijn testament staat dat hij timmerman en herbergier was. Hun woning staat aan de noordzijde van de Steenweg even buiten de Bossche Poort van de stad Breda, letter E no 85. Hij laat na een huis en erf genaamd het groene woud buiten de Bossche Poort, wijk E no 84 of 86, ten oosten van het Lazerije straatje en ten westen van Antonius. Verder een perceel hofland ten westen van het hierboven gemelde huis en ten oosten van Antonius,van 80 roeden, oude maat is 25 roeden en 83 ellen. Nog een perceel hofland van een buinder en een halve oude maat, oost van de weduwe smits, west Jan Vermeulen, zuid mevrouw de weduwe van Gils, noord de straat. De maten komen niet overeen maar de namen van de buren wel. Dit zijn de andere twee percelen van Jan ten zuiden van de Teterigschsedijk.
Op 2 november 1833 koop Elisabeth Batiaanse, weduwe van Jan Baptist Beekmans, een huis met tuin, stalling en erf aan de Korte Boschtraat, genaamd Rhyngraaf, D no 311, kadastraal B No 288, aan het gasthuiseinde voor 1000 gulden.
Op 20 juni 1834 worden een aantal kavelen hooiland verpacht aan de hoogste bieder, dit gebeurd in de herberg van de weduwe, Elisabeth verpacht zelf ook een stuk grond aan de Teteringschen dijk zuid aan Johannes van der vliet, logementhouder, voor 97 gulden. Perceel D309 en D310
Op 24 juni 1836 verpacht Elisabeth in haar eigen herberg 3 kavels voor 65, 34 en 12 gulden =111 gulden.
Op 30 juni 1837 verpacht Elisabeth weer haar kavels aan twee personen voor 56 en 40 gulden = 96 gulden
Op 14 mei 1839 trouwt de jongste dochter van Elisabeth, Jacqueline (Jacoba), met Guilhelmus Luijcx. (heeft voldaan aan zijn verplichting aan Nationale Militie in Teteringen) Jacoba is dan 27 jaar, hij 32 en banketbakker. Zijn vader is broodbakker. Via Jacoba’s lijn worden beide percelen, D486 en D487, uiteindelijk verkocht.
Op 5 september 1839 komt de oudste zoon van het gezin, Cornelius, te overlijden in Wijk D 118 op de Grote Markt. Hij was RK. priester van beroep en werd 45 jaar oud. Zijn moeder wordt hier koffiehuishoudster genoemd.
Leuk weetje: op 16 december 1839 is Joannis Nicolaas Smits, bierbrouwer, in de herberg van Elisabeth. Op 5 maart 1807 verkocht Johannes Josephus Havermans zijn brouwerij en mouterij de Drie Hoefijzers aan de Eindhovense brouwer Johannes Nicolaas Smits voor ƒ 9.250,-. Voordat de familie Smits in 1807 in Breda neerstreek, was zij in Eindhoven al ruim een eeuw actief als brouwer en wijnhandelaar. Johannes Arnoldus Smits vestigde zich in 1710 te Eindhoven als brouwersknecht en legde daarmee de basis voor het bedrijf De Oranjeboom dat zijn zoon Antonius Smits in 1741 opstartte. Diens enige zoon Johannes Nicolaus Smits runde vanaf 1782 het familiebedrijf van brouwerij en wijnhandel en was gezegend met een kinderrijk gezin. Op zoek naar een gezonde bestaansbasis voor zijn vele zonen vormde de in 1807 te koop staande brouwerij de Drie Hoefijzers een uitgelezen kans die grondslag te verbreden. Hij koopt de Brouwerij voor zijn zoon Antonius Johannes Smits. Anton werd daarmee de stamvader van een familiebedrijf.
In 1839 staat Elisabeth Bastiaanse en Antonia Beekman, moeder en dochter, ingeschreven op 69 en 29 jarige leeftijd als herbergiersters op adres E100.
Acht maanden na het overlijden van haar oudste zoon Cornelius komt op 11 mei 1840 Elisabeth te overlijden rond 1 uur in de middag in wijk E no..in de tachtig. Zij was 69 jaar oud en tapster van beroep. Althans, 69 jaar als zij een maand en 2 dagen voor haar doop geboren is, anders is zij 68 jaar en 11 maanden en 27 dagen oud geworden. Zij heeft haar eerste vier kinderen verloren in de leeftijd van 45, 15, 5 maanden en 3 jaar. Er zijn nu nog vier kinderen die een aandeel hebben in Herberg het Groene Wout. Zij worden in de aktes de Erven van Beekmans genoemd.
Een notariële akte op 23 maart 1840 dat verklaart dat Elisabeth Beekmans alleen gerechtigd is tot ontvangst der gelden/gelaten volgens Cornelius zijn testament van den 27 juli 1834.
Op 3 augustus 1842 wordt er een akte opgemaakt waarin interessante informatie staat. De kinderen zijn ook een koffiehuis begonnen en de erfgenamen verlengen de afspraak over de houten schuur in de Verboden Kring.
Betrokken bij verbintenis door Wilhelmyna Beekmans, koffiehuishoudster, wonende in Breda, die handelt samen met Martinus Beekmans, koffiehuishouder, wonende in Breda, Antonia Beekmans, meerderjarig, ongehuwd, koffiehuishoudster, wonende in Teteringen, en Jacoba Wilhelmyna Beekmans, getrouwd met Gerardus Luykx, banketbakker, wonende in Breda, samen zijnde de kinderen van wijlen Jan Baptist Beekmans en Elisabeth Bastiaansen, in leven echtgenoten, die hebben gewoond en zijn overleden in Teteringen.
Genoemde personen verbinden zich om de door hun wederrechtelijk herbouwde houten schuur, met pannen gedekt, staande in de verboden kring der vesting Breda, onder de gemeente Teteringen, sectie D nr.486, op bevel van het Departement van oorlog, dadelijk af te breken en weg te ruimen, zonder daarvoor een schadeloosstelling te eisen.
Rondom forten diende het schootsveld zoveel mogelijk te worden vrijgehouden van bebouwing. Al in de Franse Tijd werden hiervoor regels opgesteld. In 1814 bepaalde de nieuwe Nederlandse regering dat gebouwen binnen een straal van 300 roeden (1200 meter) van een versterking in geval van nood mochten worden afgebroken.
Op 17 april 1844 trouwt Wilhelmina Beekmans 41 jaar en zonder beroep, met Johannes Baptist Petrus Cornelis Bord, 40 jaar.
Op 15 maart 1845 verschijnt er een advertentie in de krant over de verkoop van Herberg Groenewoud.
Op 27 maart 1845 zijn Wilhelmina. Jacoba Wilhelmina, Antonia en Martinus bij de notaris. Zij machtigen daar Johannis Baptist Bord, sinds 1 jaar de man van Wilhelmina, om de nalatenschap van hun ouders Jan en Elisabeth te verkopen. Het gaat om de verkoop van D486 en D487. Ze maken de voorwaarden voor verkoop op te maken
Op 30 maart 1845 plaatsen de kinderen van Beekmans een tweede advertentie in de krant voor een veiling en verkoop van de herberg op 2 april 1845. Het gaat om de percelen D486 en D487.
Op 2 april 1845 is de eerste veildag voor het voorlopig toewijzen om de herberg te verkopen. Deze vind plaats in de herberg zelf. Johannes Bord is aanwezig en vertegenwoordigt de rest van de familie. 16 april zal de tweede veildag plaatsvinden voor de finale verkoop. D486 is 11 roeden 50 ellen groot. D487 is 7 roeden en 90 ellen groot. Samen 19 roeden en 40 ellen. Johannes Baptist Beekmans, hun vader, is aan het erf/lang gekomen middels een Vestbrief op 23 december 1801. Het lijkt er op zover bekend dat het huis en overige gebouwen daarna door hem zijn gebouwd. De hoogste bieder is Hendrik de Wijs, meester smit uit Breda voor 3200 gulden Op 16 april is de tweede veildag. Er kwam geen hoger bod. De verkoper besloot niet te verkopen!
Op 7 mei 1848 komt Martinus Beekmans te overlijden om 13:00 in Wijk D No:118 op de Groote Markt. Dat is hetzelfde adres als waar 9 jaar eerder zijn broer woonde. Dus of ze woonde samen of hij is er daarna ingetrokken. Hij werd 43 jaar oud en was ongehuwd. Alleen Antonia, Jaqueline en Wilhelmina zijn nu nog over. De laatste twee zijn getrouwd. Antonia woont nog op het ouderlijk adres en is ongeveer 39 jaar oud nu.
Kinderen Johannes Beekmans verkopen op stam staande bomen, staande buiten de Bossche Poort op 14 december 1848
Op 20 mei 1851 schrijft Antonia Beekmans zich in bij de gemeente Etten dorp 89 bij Johannes Luijkx (broodbakker). Zij is dan 42 jaar oud. Dan pas verhuisd zij uit haar ouderlijk huis.
Op 7 april 1853 is Johannes Baptist Cornelis Bord overleden op , 48 jaar geworden. Hij is de man van Wilhelmina Beekmans. Zij woonden op de Grote Markt D118.
Op 20 april 1883 is in Oosterhout om 13:30 overleden Jacoba Wilhelmina Beekmans, 71 jaar oud geworden, geboren in Teteringen en wonende in Oosterhout zonder beroep en weduwe van Gilhelmus, getrouwd met Gielhelmus Luijkx.
Op 9 januari 1886 is in Oosterhout overleden Wilhelmina Beekmans, 83 jaar oud geworden, geboren in Teteringen wonende in Oosterhout en zonder beroep, weduwe van Jan Baptist Petrus Cornelis Bord.Haar erfenis gaat naar haar dochter Elisabeth Barbara in 1883. Zij is getrouwd in gemeenschap van goederen met dhr Segers.
Zij erft:
- Een moestuin Sectie D 487 van 70 are en 90 centiare.
- Een tuin Sectie D820 van 8 aren en 25 centiare.
- Een huis en erf Sectie D821 van 2 aren en 12 centiaren
- Een arbeiderswoning Sectie D822 van 1 are en 3 centiare.
- Een onverdeeld perceel moestuin Sectie D739 van 84 aren en 75 centiaren
- D786 van 60 aren en 30 centiaren
De waarde van deze goederen zijn geschat op 8000 guldens.
In vroeger tijden dienden herbergen vaak als locatie voor het opstellen van notariële akten en het sluiten van koop- en verkooptransacties. Bij dergelijke handelingen waren altijd getuigen aanwezig. Het gezin komt dan ook regelmatig voor in tal van akten die zijn opgesteld in Huize Beekmans, gelegen onder Teteringen, buiten de Bossche Poort.
Op 30 april 1888 verhuisd Antonia Beekmans naar de Keiweg vanuit Etten naar hetzelfde adres als Elisabeth Barbara Luijkx, dochter van haar zus.
Antonia Beekmans ingeschreven in Oosterhout op de Keiweg 628 op 1 januari 1890 als weduwe.
Antonia Beekmans overleden op 14 april 1898 Keiweg Oosterhout.
Op 2 april tijdens de veiling wordt een akte opgemaakt waaruit blijkt dat Johannes Baptist Beekmans de grond in bezit heeft sinds 1801. Dit staat in de Vestbrief die op 23 december 1801 is gepasseerd voor commissarissen van criminaliteit en civiele justitie te Breda. Terwijl het huis en verdere gebouwen zeker na die tijd door hem zijn gebouwd. Jan koopt deze percelen dus na de geboorte van hun 4de kind.
Hoe komt Johannes Baptist Beekmans aan de percelen: Vestbrief 23 december 1801:
Verkoper: Cornelis van Poppel, woonachtig te Teteringen
Koper (en verkrijger van het goed): Johannes Baptist Beekmans, ook te Teteringen
Verkocht goed: “Een stukje erve ofte land”, ca. 50 roeden (1630m2?) groot voor 500 gulden.
- Ligging:
- Noordzijde van de steenweg buiten de Gasthuiseindsche Poort van Breda
- Oost: ’t Gebuurstraatje en Martinus Bastiaansen
- West & Zuid: de stadsvest
- Noord: weide van Franciscus van Kakerken
- Opmerking: er stond vroeger een huis op, dat bij de verdediging van de stad in 1747 werd afgebroken (mogelijk tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog).
- Jaarlijkse lasten:
- Een cijns van 12 stuivers en 2 oorden aan het Oudemannenhuis van Breda
- Verder “vrij behouwdens, domein- en andere cijnzen” tenzij wettelijk bewezen
Cornelis van Poppel heeft het stuk grond sinds 9 juli 1772 in bezit.
Het gebuurstraatje kan de Lazarije steeg zijn gaan heten, later de Vuchtstraat – Ceresstraat – thans Brouwmeesterstraat.
Martinus Bastiaansen was de vader van Elisabeth die in zijn testament wordt aangehaald als herbergier van de Nieuwe-Posthoorn. Dit is de locatie waar nu Nobel House op Ceresstraat 35 is gevestigd en de twee trapgevelhuisjes.
Wat was er dan aan de hand in 1747? De Oostenrijkse Successieoorlog.
Volgende passages komen uit De Baronie in beroering; oorlogswoelingen in stad en land van Breda tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog II (vanaf mei 1747) door ANIETA VAN GEERTRUY
De gedeputeerde te velde, Willem van Haren, zag erop toe, dat ook Breda in staat van verdediging werd gesteld. De dorpen in de Baronie
kregen opdracht van commandant Pieter van Leijden achthonderd arbeiders voorzien van bijlen, en twintig karren naar het Kasteelplein te sturen. Buiten de Ginnekense poort rooide men de bomen en de bewoners aan de rand van de stad moesten hun huizen ontruimen, zodat ze bij dreigend gevaar gesloopt konden worden.Wijkmeesters inventariseerden bij de burgers de voorraden aan graan, spek en brandewijn en het aanwezige vee. Inwoners die de
stad voor een tijdje wilden verlaten, moesten iemand in hun huis achterlaten.Buiten de Bredase stadswallen werden half augustus de huizen op kanonschotsafstand afgebroken, zodat er een vrij uitzicht ontstond. Inwoners van Princenhage en Teteringen kregen van commandant Pieter van Leijden opdracht het puin te verwijderen. Met een permanente ploeg van tweehonderddertig arbeiders uit de Baroniedorpen werkte hij aan de versterking van de fortificaties. 32 Hij hield terdege rekening met de mogelijkheid, dat het ook in Breda tot een beleg zou komen. Op 31 juli kreeg de magistraat opdracht opgave te doen van het aantal personen per huishouden en de inwoners te gelasten zich voor zes weken te voorzien van ,,150 ponden brood, graan en meel, 25 pond vlees, speck, booter, of kaas,mitsgaders voor ieder hooft de noodige wijn, brandewijn, of genever.”
Begin september wees hij de magistraat nogmaals op de noodzaak van het aanleggen van voedselvoorraden bij de inwoners, omdat de winkeliers bij dreigend gevaar hun waren aan de militairen moesten leveren. De omliggende dorpen gelastte hij honderd runderen op het terrein bij het Kasteel te brengen om verzekerd te zijn van voldoende vlees voor het garnizoen.
De Bredase magistraat wist op 26 september 1747 al, dat de stad een zware bezetting tegemoet kon zien. Het
fouriersambt ging op 12 oktober over van secretaris Constantinus van Vechelen op schepen Thomas Ernst van Goor. Deze kreeg de taak de militairen in te kwartieren. Twaalf bataljons van elk zo’n zeshonderd Engelsen en het gevolg van de hertog van Cumberland, bestaande uit zo’n driehonderd man met de bij hen horende vrouwen en kinderen, moesten voor het overgrote deel bij de burgers worden gehuisvest. De militaire barakken boden slechts plaats aan driehonderd soldaten. In de stadsstal en bij het Valkenberg werd de artillerietrein ondergebracht, de paarden kwamen in de St.-Joostkapel. Voor de nodige voorzieningen ontving de magistraat tweemaal twintigduizend gulden.Grote angst bestond er bij de bondgenoten voor een strenge vorstperiode. Terwijl in andere jaargetijden de inundaties voldoende bescherming boden, zouden deze bij bevriezing wel eens funest kunnen zijn. De magistraat van Breda zegde commandant Pieter van Leijden in zijn vergadering van 1 december 1747 alle medewerking toe van de burgers bij het open houden van de singels. Het parapet of de borstwering zou met water begoten worden, zodat aanvriezing ervan een beklimming onmogelijk maakte. Hiervoor gebruikte men brandspuiten en gieters.
Hoe kwam Cornelis van Poppel aan het stuk grond op 9 juli 1772? Dat weten we nog niet maar op 27 februari 1772 sluit hij een huurovereenkomst met zijn moeder:
Datum van akte: 27 februari 1772
Notaris: Johannes Hendrikus Roelants, te Breda
Verhuurster: Governina Bilstraten, weduwe van Willem van Poppel, woonachtig buiten de Gasthuiseindsche Poort van Breda op de Teteringsche Dijk
Huurder: Cornelis van Poppel, haar zoon, eveneens woonachtig aldaar
Wat wordt verhuurd: Een hofstede bestaande uit:
- Een woonhuis
- Een schuur
- Een stal
- Overige bijgebouwen (timmerwerk)
- Een hof (erf)
- Een perceel hooiland of weiland
Ligging van het goed: Onder Teteringen, buiten de Gasthuiseindsche Poort van Breda
Grootte van het goed:Ongeveer anderhalve bunder
(= circa 1,5 hectare = circa 15.000 m²)
Huurtermijn: Tien opeenvolgende jaren Van 15 maart 1772 tot 15 maart 1782. Zonder mogelijkheid tot tussentijdse opzegging
Jaarlijkse huurprijs: 90 gulden. Te betalen jaarlijks, stipt.
Verantwoordelijkheid voor belastingen en cijnzen: Te betalen door de verhuurster. De huurder draagt hier niets aan bij.
Onderhoudsverplichtingen:
- De verhuurster moet huis, schuur en bijgebouwen in noodzakelijke staat houden
- De dorsvloer moet gezamenlijk worden gelegd en onderhouden
- Aan het einde van de akte wordt vermeld dat de verhuurster aan de huurder ook in huur overdraagt alle buitenpercelen van haar bezit, zoals:
- Zaailand
- Hooiland
- Weilanden
- Het gaat hierbij om percelen die van andere personen worden gepacht of in gebruik zijn.
- Uitzondering op de huur:
- De hof van Mevrouw Hanedoes is uitgezonderd van de huur.
- Toch moet de huurder (Cornelis van Poppel) de jaarlijkse huurpenningen daarvoor betalen, alsof hij het gebruikt.
- Hij moet zich houden aan de bepalingen uit de bestaande huurcontracten die door de verhuurster (Governina Bilstraten) met betrekking tot dat hof zijn aangegaan.
- Deze contracten zullen aan de huurder ter hand worden gesteld.
- Buitengebieden/percelen:
- De huurder heeft het gebruik van alle buitenpercelen waarvan de huur reeds ten behoeve van hem is ingegaan, per 1 maart 1771.
- Juridische binding:
- Verhuurster en huurder verbinden zichzelf en hun bezittingen juridisch tot naleving van deze akte.
- Ze verklaren zich akkoord met eventuele rechtsmiddelen (zoals handhaving, betaling of schadevergoeding) bij niet-naleving.
- Ze onderwerpen zich aan de gangbare wetten en gebruiken.
- Formele afronding:
- De akte is gepasseerd in Breda, op de eerder genoemde datum: 27 maart 1772.
- In aanwezigheid van twee getuigen:
- Leonardus Lombertus Laeff
- Johannes Simon de Bossom
- De verhuurster (Governina Bilstraten) heeft de akte niet zelf ondertekend, omdat ze vanwege slechte ogen (visuele beperking) niet kon schrijven. In plaats daarvan plaatste zij een handmerk.
- Cornelis van Poppel ondertekende wel.
- Notaris Roelants bevestigt de inhoud met de woorden “quod attestor” (Latijn: “wat ik bevestig”).
De huurder zal lemen muren herstellen met het aanwezige leem
Bomen en beplanting:
- De huurder moet de bomen op het erf onderhouden en snoeien, met uitzondering van de zogeheten “krieke bomen”.
- De huurder mag tot 30 vruchtbomen in de hof verminderen (verwijderen of vervangen), mits de jonge aanplant behouden blijft ten behoeve van de verhuurster.
- Oude stammen van bomen blijven eigendom van de huurder, ook wanneer zij worden vervangen.
- Jonge “guekeriboomen” (mogelijk jonge kersen- of perenbomen) moeten blijven staan; alleen als ze sterven of afsterven, mag het hout gebruikt worden.
- De huurder mag de bessenhagen (struiken) uittrekken en vervangen door jonge planten.
Gebruik van bomen voor onderhoud:- Als er timmerwerk nodig is aan het huis of de schuur, mag de huurder zelf bomen aanwijzen op het erf om als bouwmateriaal te gebruiken.
- De huurder is niet aansprakelijk voor schade aan vruchtbomen die ontstaat door storm (heerkracht) of overstroming (watervloed).
Gebruik van heggen en houtwallen:- De huurder mag de heggen en houtwallen (“houdwas”) rondom het hof snoeien of verwijderen indien nodig.
- Hij moet wel opnieuw planten op die plekken, met struiken of bomen naar eigen inzicht.
In geval van verwoesting:- Als huis of schuur verwoest worden door oorlog, natuurgeweld of andere rampen, mag de huurder zelf kiezen of hij de huur voortzet of beëindigt.
- Bij voortijdige beëindiging moet hij alleen huur betalen naar rato van de verstreken tijd.
Onderhoud van sloten:- De huurder moet alle sloten op en rond het erf goed onderhouden, zowel gewone sloten als grondslooten (dieper gelegen of grotere afwateringssloten).
Houtgewas (houdwas):- Het houtgewas rondom het erf blijft ten voordele van zowel huurder als verhuurster.
- De huurder mag ook gebruiken maken van houtgewas dat elders op het erf staat, voor zover redelijk.
Overdracht van aanvullende gronden:- Aan het einde van de akte wordt vermeld dat de verhuurster aan de huurder ook in huur overdraagt alle buitenparcellen van haar bezit, zoals:
- Zaailand
- Hooiland
- Weilanden
- Het gaat hierbij om percelen die van andere personen worden gepacht of in gebruik zijn.
- Aan het einde van de akte wordt vermeld dat de verhuurster aan de huurder ook in huur overdraagt alle buitenpercelen van haar bezit, zoals:
Samenvatting van dit fragment:
- Datum van akte: 3 maart 1772. Op 31 maart 1772 finale verkoop
- Locatie: Breda
- Verkoper:
- Louis Ingenhousz, borger (burger) en koopman te Breda
- Voorwaarden:
- De landerijen worden openbaar verkocht aan de hoogste bieder.
- De verkoop gebeurt met toestemming van een (vermoedelijk juridische) heer.
- De verkochte landerijen komen met alle bijbehorende rechten:
- Actieve en passieve erfdienstbaarheden
- Waterrechten
- Acties en rechten
- De koper aanvaardt de landerijen inclusief:
- Bestaande jaarlijkse lasten of cijnzen
- De verkoper geeft geen garanties of waarborgen
- De koper krijgt de bijbehorende bescheiden (titels, bewijsstukken) die bij de verkoper berusten
- De koper (Cooper) aanvaardt de naerbeschreeve landerijen zoals verder zal worden aangegeven.
- De koper draagt alle lasten, risico’s en avonturen van het koopslag.
- De verkoper wil zich niet precies houden aan exacte maten van de landerijen; eventuele meer- of mindermaten komen voor rekening van de koper.
- Er is een “Godspenning” van 12 stuivers, die bij verhoging telkens met 6 stuivers kan worden verhoogd, en moet worden betaald bij de overdracht.
- Eén perceel, zaaij- en weiland, momenteel volledig weiland, gelegen in verschillende jaar scheelen achter elkaar, onder jurisdictie van de stad Teteringen.
- Ligging: aan de zuidzijde van de Teteringse Dijk.
- Grootte: in totaal ongeveer 1361 roeden
Ligging van het land:
Oost: de hinderen van Jan Mulders
West: juffrouw de weduwe Willem Jamez
Zuid: de kennissen van Boudewijn Robs
Noord: Teteringsenlijk (bezittingen van de stad Teteringen)
Wegen en onderhoud:
De goederen van deze koop hebben aan de noordzijde een weg, die noordwaarts loopt langs Teteringsenlijk.
De kinderen van Boudewijn Robs moeten voor de helft deze weg afsluiten.
De koper moet er voor altijd voor zorgen dat de kinderen van Robs over het land mogen wegen.
De koper moet samen met de kinderen van Robs ook de sloot of sluis aan de weg voor de helft onderhouden.
De breedte van de weg moet volgens gebruik gehandhaafd blijven.
Historische opmerking:
Dit is zoals het was vastgesteld door de vader van de verkoper, Arnoldus Ingenhork, op 28 januari 1761.
Dit is een vrije eigendom zonder heffingen (vrije commer), behalve wat met recht als last kon worden vastgesteld.
Cornelis van Poppel is hier de koper (in de tekst wordt gezegd “zijnde daerop gemijnt bij Cornelis van Poppel”) van het perceel land. Hij is degene die het perceel op een openbare verkoop (of afhamering) heeft gekocht. Hij staat ook als borg (zekerheid) vermeld, wat betekent dat hij verantwoordelijk is voor de betaling en het voldoen aan de voorwaarden.Het perceel is afgehamerd op een inzet (startbod) van 1000 gulden en het hoogste bod is 1510 gulden (vijftienhonderd en tien gulden).
Op 30 mei 1772 koopt Cornelis van Poppe een stuk land van 50 roeden ofzo groot, van Cornelis Ruijssenaars. Erfgenaam van Catharina Phelips (Catrina Philips, Philipsen) (Felips) haar neef = enige erfgenaam , weduwe van Jan van den Bogaert. Jan woonde in 1726 in ieder geval buiten de Bossche Poort. Haar testament is van 27 augustus 1768. Het ligt aan de noordzijde van de steenweg, buiten de Gasthuiseijnde poort, oost het gebuurstraetje en Maarten Bastiaanssen, west en zuid de vesting en noord de weduwe van Olyslagers
Op 2 oktober 1772 is er een akte waarin staat dat Cornelis van Poppen 2 duizend gulden aan het afbetalen is aan zijn moeder.
Op 9 november 1772 koopt Cornelis van Poppel de inboedel van zijn moeder over; paard, rijtuig, 8 koebeesten, hoenders, hooi, stro, boerengereedschap, ploeg, aardappels, zaden,bedde, dekens, lakens, koper, tin , ijzerwerk, tafels, hout, turf, vlees, spek, boter, bomen, vruchten en iets met het bezaaide en geploegde land, twv 1502,03 gulden. Hij betaald al een groot deel of dat is betaald van ingehouden soort loon, betaald een klein deel later.
Op 21 juni 1774 koopt zijn moeder nog een perceel Hofland van 300 roeden buiten de Gasthuiseinde poort omtrend den steenweg, oost Anneke Vermeulen, west Heer van Leur, zuid Heerenstraat? en noord Anneke Vermeulen. Iets met pondboek 797.
Samenvatting – Verkoopakte uit 1726
Datum: 26 januari 1726
Verkoper: Johan van den Bogaert
Koper: Roelandus De La Haije, proost van het klooster van Sint-Catharina Dal, ten behoeve van dat klooster te Oosterhout
Object van verkoop:
Een huis en stal, gemetseld en getimmerd
Gelegen buiten de Gasthuispoort in Breda, op grond van het klooster zelf
Opmerking:
De gebouwen zijn oorspronkelijk gebouwd door Mattijs van den Bogaert, zoon van Johan, en erfgenaam van de verkoper.
Koopsom: ƒ 200 (gulden)
Waarvan ƒ 5 aan kosten zijn betaald, vermoedelijk als zegel- of notariskosten
Bevestigd en vastgelegd door de schepenen Cornelis van der Halt en M. Aedrns de Bons
“Eene huijsinge en stallinge staerde getimmert ende gemetselt op de gront en erve vant meergemelte Clooster, buijten de Gasthuijsede paert onder de bijvangk deser stadt…
We beginnen bij de minuutplannen uit 1824 waarin staat dat Jan Baptist Beekmans eigenaar was van Perceel, art. 19
- D486 huis, schuur en erf
- Ceresstraat 29, 21, 33
- 1150 m2
- D487 moestuin
- Ceresstraat 21, 23, 25, 27, 29
- 790 m2
- D483 moestuin
- Ceresstraat 41, 43, 45, 47, 51, 55
- 3070 m2
- D309 bouwland
- D310 bouwland
Wij volgen de eerste twee percelen.
Art 19 = D486 en D487 van Jan Beekmans naar –
Art 715 = Wilhemina Beekmans (1802) eigenaar, weduwe van meneer Bord naar –
Art. 1077 deel 1 = Guilhelmus Luijcx, de man van haar jongste zus Jacoba Wilhelmina Beekmans. In 1873 werd er een schutting geplaatst op D486, het deel met het huis en erf. Verder werd de tuin losgekoppeld van het huis en werd er een nieuw huis bijgebouwd. Er ontstaan nu 3 nieuwe perceelnummers.
- D486:
- D820, tuin van 835 m2, spitsing in 1894 en wordt bij D1549 getrokken.
- D821, huis en erf van 212 m2 wordt ook verenigd in D1549
- D822, huis en erf van 103 m2 wordt in 1896 verkocht aan Art 1730/1 = Antonius Johannes Marijnissen
Art 1077 deel 2 = Guilhelmus Luijcx/ zijn dochter Barbara Luijcx en haar man Segers. Zij wonen in Oosterhout. D487, de moestuin werd in 1894 gesplitst, daarna werd de rest gesplitst en verkocht.
- D487
- Bijvang D1548, een tuin van 457 m2, verkocht in 1895 aan Art 1688/1 = Gregorius vd Velden
- F104, D1549, huis en tuin van 1380 m2, wordt in 1895 gesplitst in:
- Bijvang D1550, bouwgrond van 247 m2, verkocht in 1895 aan Art 1690/1 = K.F. van Ginneken en Adriana Sophia Jonkers
- F104 D1551 huis en erf 1133 m2 wordt gesplitst in 1895:
- D1579, een tuin van 290 m2, verkocht in 1895 aan Art 1709/1 = Hendrikus Wijmen/Petrus Wijmen
- D1580, huis en tuin van 843 m2, wordt in 1896 gesplitst in:
- D1593, een erf van 365 m2, verkocht in 1897 aan Art 1761/1 = Johanna Wilhelmina Schaap, weduwe van C. Hartog.
- D1594, een huis en erf van 478 m2, verkocht in 1896 aan 1730/2 = Antonius Johannes Marijnissen
Dus alle 1940 m2 worden verkocht vanaf 1895 door Barbara Luijcx, de dochter van Jacoba Beekmans, de kleindochter van Jan en Elisabeth Beekmans. Het zijn 7 percelen geworden met 6 nieuwe eigenaren.
Ceresstraat 33
Art 1730/1-2 Antonius Johannes Marijnissen koop in 1896 D822, nummer 197, een huis en erf van 103 m2 en D1594, F104, een huis en erf van 478 m2. In totaal 581 m2. Hij is een gepensioneerde assistent der Posterijen. Hij splits beide percelen in hetzelfde jaar nog op en 1897 nog een keer in het volgende:
- D822
- D1680 huis 48 m2, huisno 116
- D1681 huis 26 m2, huisno 116
- D1682 huis 90 m2, huisno 116
- D1683 huis en erf 417 m2
- D1594, huisnummer F104, geeft 61 m2 grond aan D1682
Hij verkoopt het geheel of geeft het over in 1901 aan 1914/1-2-3-4 = Maria Pieternella Ammerant, de weduwe van Antonius Johannes Marijnissen. Zij verkoopt het in 1909 na er 13 jaar gewoond te hebben aan Art 2314/1,2,3,4 = Hendrikus Steijlen.
Hendrikus Steijlen. In 1927 komt er een bijgebouw bij op perceel D1683. In 1938 vind er een overdracht plaats. Hierdoor veranderen de kadasternummers weer, nu in
- D1682 wordt
- D1683 huis en erf van 417 m2 wordt D5937 van 460 m2, er komt 43 m2 bij.
- Het wordt deels verkocht of overgedragen aan 4361/2355, en dan wordt het D5966
Ceresstraat 21-23?
Art 1688/1 Gregorius v/d Velden
In 1895 koopt Gregorius vd Velden van Barbara Luijcx een tuin van 457 m2, perceel Bijvang D1548. In 1895 wordt dit perceel gesplitst in twee:
- D1548
- D1569 =huis en erf van 166 m2. Hij verkoopt dit in 1910 aan Art. 1844/2 = Familie Hoeben
- D1570 = bouwt daar in 1896 een huis op, perceel is 291 m2. Het wordt weer gespitst;
- D1639 = huis en erf van 134 m2, verkoop in 1920 aan Art. 2972/1
- D1640 = huis en erf van 157 m2, verkoop in 1920 aan dezelfde Art 2972/2
Perceel D1569:
Art. 1844/2 = Familie Hoeben
Zij kopen dus in 1910 perceel D1569, een huis en erf van 166 m2. Na 9 jaar, in 1919, verkopen zij het aan Art. 2871/1 = Leonard Bal
Art. 2871/1 = Leonard Bal
Hij koopt perceel D1569 werkt als Elektrotechnicus, woont daar ongeveer 2 jaar en verkoopt het in 1922 aan Art. 2677/10 = Petrus van der Leijen
Art. 2677/10 = Petrus van der Leijen koop in 1922 D1559, 166 m2 huis en erf van Leonard Bal en verkoopt het datzelfde jaar aan Art. 3363/1 = Joseph Peter Gerard Driessen, koopman uit Dusseldorf.
Art. 3363/1 = Joseph Peter Gerard Driessen
Hij koopt in 1922 van Petrus van der Leijen perceel D1559, 166 m2 huis en erf en ruilt? dat in 1926 aan Art. 3847/1 = Johannes de Kanter
Art. 3847/1 = Johannes Cornelis Wilhelmus de Kanter
Hij koopt in 1926 van Joseph Driessen perceel D1559, 166 m2 huis en erf en verkoopt dat 3 jaar later, 1829, aan Art. 9892/1 = ?
Perceel D1639/D1640
Art. 2972/1-2 = Rombertus Wilhelmus van der Maade, onderwijzer.
Hij kocht de percelen in 1920 van Gregorius v/d Velden.
In 1921 verkocht hij D1639, huis en erf van 134 m2 aan Art. 3157/1 = Charles van Hemelrijck
In 1926 verkoopt hij D1640, huis en erf van 157 m2 aan Art. 8375/1 =
Art. 3157/1 = Charles van Hemelrijck, kleermaker
Hij koopt van R. van der Maade in 1921 D1639 van 134 m2. In 1924 bouwt hij iets bij en in 1927 verkoopt hij het aan Art. 3942/1 = Embertus Moerenhout
Art. 3942/1 = Embertus Moerenhout
Hij koopt in 1927 van Charles Hemelrijck D1639 134 m2. In 1928 is er een vervolglegger Art. 4895/18. In 1938 is er een overdracht naar Art. 4364(9)/2355 van 1 m2.
Het perceel D1639 van 134 m2 is nu D5932 van 133 m2 en staat op legger Art.4895/27 reeks 4. Het wordt verkocht in 1956 aan Art. 13874/21????
Ceresstraat Luciferfabriek?
Bijvang D1550, bouwgrond van 247 m2, gekocht in 1895 door Art 1690/1 = K.F. van Ginneken en Adriana Sophia Jonkers van Barbara Luijcx.
Zij bouwen een huis in 1896, plaatsen een bijbouw in 1896 en verkopen in 1905 aan Art. 2068/3 = Charles Loijens
Art. 2068/3 = Charles Loijens kocht in 1905 van van Ginneken D1550 van 247 m2. In 1908 splitst hij het en voegt het samen met andere percelen tot D2690 en D2691
D2690 wordt D3038 van 1594 m2 en Charles verkoopt het in 1912 aan Art. 2480/2 = Johannes van Steen
D2691 wordt D3039 van 150 m2 en hij verkoopt dat in 1913 aan 2544/1????
Art. 2480/2 = Johannes van Steen, reeder
Hij koopt D3038 van Charles Loijens in 1912. In 1913 verplaatst het perceel naar Art. 2540/2 = Maria Anna van Dongen
Art. 2540/2 = Maria Anna van Dongen
Zij is de weduwe van Johannes van Steen. Zij verkoop het perceel en een ander perceel aan de Vughtstraat aan Art. 2696/1 = Lodeviens Blankers
Art. 2696/1 = Lodeviens Blankers, schoenfabrikant.
Hij koopt perceel D3038 in 1917 van de weduwe van Johannes van Steen en verkoopt het in 1922 aan Art. 3260/3?????
Art.2544/1 = ?
Ceresstraat
Art 1709/1 = Hendrikus Wijmen/Petrus Wijmen
Hij koopt in 1895 Perceel D1579 van Barbara Luijcx. Het is een tuin van 290 m2. Hij bouwt een huis in 1896 en verkoopt het in 1907 aan Art. 2068/7 = Charles Loijens.
Art.2068/7 = Charles Loijens koopt D1579 van 290 m2, een huis, tuin en koepel, hij verbouwd im 1907, een herbouw in 1909. Het krijgt nu perceelnummer D2690 en is opeens 1415 m2. Het is samengevoegd met andere percelen. Het wordt verkocht aan Johannes van Steen, zie boven
Ceresstraat
Art 1761/1 = Johanna Wilhelmina Schaap
Zij is de weduwe van C. Schaap. Zij koopt in 1897 van Barbara Luijcx perceel D1593, een erf van 365 m2. In 1898 staat er een huis en erf. In 1901 is er een scheiding, overlijden naar Art 1967/1 = Johanna en Marie Hartog
Art 1967/1 = Johanna Dina en Marie Cornelie Hartog, erven van hun moeder in 1901 D1593 en verkopen het in 1905 aan Art. 650/36 = Jacobus Singelmans
Art. 650/36 = Jacobus Singelmans koopt in 1905 van de dames Hartog perceel D1593 en verkoopt het in 1928 aan Art.8276/4 = Petrus Legein
Art.8276/4 = Petrus Jacobus Legein koopt in 1928 D1593 van Singelmans. In 1938 wordt er 10 m2 verkocht aan Art. 4864/23..???
Het overige perceel krijgt een ander nummer D5936 en is nu 355 m2 groot. In 1964 verkoopt hij het aan 19709/1????
Tivoli
Tivoli was een soort ontspanningsoord of pleziertuin, een naam die vaker werd gegeven aan plekken voor vermaak, dans of rust. De term komt oorspronkelijk van het Italiaanse stadje Tivoli, bekend om zijn tuinen en villa’s, en werd in de 19e eeuw populair als aanduiding voor sfeervolle uitgaansplekken.
Op de kaart hierboven uit 1853–1858 ligt deze Tivoli op kadaster sectie D, nummer 486. Er zijn twee krantenartikelen over gevonden en ook een foto in het Stadsarchief van Breda.
Tijdlijn

















