Drie Hoefijzers

Lucifersfabriek

De eerste industrie aan de Ceresstraat

Van 1870 tot 1967 werden aan de Ceresstraat lucifers geproduceerd. De stoomluciferfabriek was het eerste industriële bedrijf in dit deel van Teteringen, dat later onderdeel van Breda werd. Mouterij Ceres volgde in 1880 en bierbrouwerij De Drie Hoefijzers verhuisde in 1887 van de Boschstraat naar de Ceresstraat.

De fabriek sloot in 1967, maar een deel van de gebouwen bleef nog jarenlang staan. De laatste restanten werden in 2006 gesloopt. Op het voormalige fabrieksterrein liggen nu het Ceresplein en het aangrenzende appartementencomplex. Weinig voorbijgangers zullen weten dat hier bijna een eeuw lang lucifers werden gemaakt.

Het Ceresplein: twee bedrijfsterreinen

Het huidige Ceresplein bestond vroeger uit twee langgerekte percelen. Beide liepen vanaf de Ceresstraat helemaal door tot aan de spoorlijn.

Op het linker perceel was van 1909 tot 1951 het Technisch Bureau Asselbergs & Nachenius gevestigd. Op het rechter perceel stond van 1870 tot 1967 de luciferfabriek. Nadat beide bedrijven waren verdwenen, kwam het volledige terrein rond 1967 in gebruik bij bierbrouwerij De Drie Hoefijzers. De brouwerij gebruikte het terrein tot haar vertrek in 2004.

 

1870: van moestuingrond naar fabrieksterrein

Tot 1870 bestond het terrein waarop later de luciferfabriek zou verrijzen uit onbebouwde moestuingrond buiten de voormalige Bossche Poort. Het perceel lag gunstig aan de straatweg naar Den Bosch en vlak bij de spoorlijn tussen Breda en Tilburg.

De grond had in de loop der jaren verschillende eigenaren. Het perceel ging van Van Kakerke en zijn erfgenamen over op Arnoldus Kleuzes en vervolgens op Johannes de Bont. Uiteindelijk kwam het in bezit van de Bredase landbouwer Pieter van Goorbergh. Op 23 februari 1870 kocht Henri Sprengers het terrein van hem voor 800 gulden. Daarmee begon op deze plek bijna een eeuw lucifergeschiedenis.

Op de kaart hieronder geven de rode lijnen de ligging van het fabrieksterrein aan. Het kleinere vak toont de omvang van het terrein bij de oprichting van de fabriek. Na 1900 werd het terrein meerdere keren uitgebreid, uiteindelijk tot aan de huidige Brouwmeesterstraat.

Vanaf mei 1872 stond aan de overzijde van de spoorlijn nog een luciferfabriek: Dijkerman & Co. De twee fabrieken lagen op slechts ongeveer tweehonderd meter afstand van elkaar. Op de luchtfoto is het terrein van Dijkerman & Co. geel omlijnd. De oranje lijnen markeren de luciferfabriek aan de Ceresstraat.

Henri Sprengers en een fabriek vol tegenslag

De koper van de moestuingrond was Johannes George Amandus Henricus ‘Henri’ Sprengers. Hij werd geboren in 1833 en werkte tot dat moment als drogist aan de Grote Markt. Op het aangekochte terrein richtte hij een stoomluciferfabriek op.

Lang heeft Sprengers er geen plezier van gehad. Op 11 januari 1871, nog geen jaar na de aankoop van de grond, brandde de fabriek tot de fundamenten af. Vanwege het grote brandgevaar wilden verzekeraars luciferfabrieken destijds niet verzekeren. Sprengers bleef daardoor met lege handen achter. Een krant schreef dat hij ‘letterlijk van alles beroofd’ was. Voor de ongeveer negentig mensen die door de brand hun werk verloren, werd een liefdadigheidsactie opgezet.

Sprengers gaf zijn plannen niet direct op. Via een advertentie probeerde hij een obligatielening van 15.000 gulden bijeen te brengen voor de herbouw van de fabriek. Een nieuwe fabriek zou werk kunnen bieden aan ongeveer tweehonderd mensen. Zover kwam het echter niet. Op 14 augustus 1871 verkocht hij de grond, de resterende gebouwen en de stoommachines voor 7.500 gulden.

De brand was niet de enige tegenslag die Sprengers in deze periode trof. In november 1870 overleed zijn vader en in mei 1871 verloor hij ook zijn broer. In maart 1874 vertrok Sprengers naar het buitenland. Hij verbleef onder meer in Genève, Parijs en Brussel en vestigde zich uiteindelijk in Frankrijk.

Firma W. Hoogendijk

Op 14 augustus 1871 kwam het afgebrande fabriekscomplex in handen van Jannetje Maria van Capellen (1813–1887) en haar zoon Aart Cornelis Hoogendijk. Jannetje was een dochter van de voormalige burgemeester van Gouderak en de weduwe van Willem Hoogendijk, een Rotterdamse fabrikant, stoommolenaar en koopman.

In 1848 verhuisden Jannetje en Willem met hun gezin van Kralingen naar Breda. Het echtpaar kreeg tien kinderen, van wie er slechts drie volwassen werden: Aart Cornelis, Neeltje en Witte. Willem overleed in 1862 in de Boschstraat in Breda.

Jannetje beschikte over voldoende middelen om de fabriek opnieuw op te bouwen. Na het overlijden van haar man bleek uit zijn testament dat hij, naar de maatstaven van die tijd, een aanzienlijk vermogen had nagelaten. Dit bestond onder meer uit grondbezit bij Raamsdonkveer, spoorwegaandelen en een belang in transportbedrijf Van Gend & Loos.

Moeder en zoon zetten de luciferfabriek voort onder de naam Firma W. Hoogendijk. Deze firma was al op 31 december 1870 opgericht voor andere handelsactiviteiten en bestond dus voordat zij de luciferfabriek aankochten. De afgebrande fabriek werd herbouwd. In 1871 legde Jannetje de eerste steen van het nieuwe fabrieksgebouw. Deze droeg het opschrift ‘J.M. Hoogendijk’. Precies tachtig jaar later, in 1951, zou de steen opnieuw een bijzondere rol spelen.

Vanaf 1872 droeg het bedrijf officieel de naam Koninklijke Nederlandsche Stoom-Lucifersfabriek. Uit een nijverheidsstatistiek uit die periode blijkt dat er niet alleen lucifers, maar ook schoensmeer werd geproduceerd. De firma liet aan de straatzijde bovendien woningen voor haar arbeiders bouwen. Een van deze pandjes werd later bekend als het luikenhuisje.

In 1873 werd de vennootschap tussen Jannetje en Aart Cornelis ontbonden. Aart Cornelis vertrok op 26-jarige leeftijd naar Apeldoorn. Daar begon hij onder de naam Hoogendijk, Tromberg & Co. een eigen fabriek voor Zweedse lucifers. Later emigreerde hij naar Amerika.

Jannetje zette de fabriek vervolgens voort met haar zoon Witte, die toen negentien jaar oud was. In haar testament van 30 april 1883 bepaalde zij dat de fabriek aan hem moest worden toegewezen. Toch verkochten moeder en zoon het bedrijf op 7 januari 1885 aan Charles Loyens. Jannetje was op dat moment ruim dertien jaar eigenaar van de luciferfabriek geweest.

Op 21 mei 1885 trouwde Witte met Henriette Lucia Kallenberg van den Bosch. Het echtpaar woonde aan de Mauritsstraat, waarschijnlijk op de plaats van het huidige nummer 4. Henriette overleed binnen een jaar na hun huwelijk. Jannetje overleed ruim twee jaar na de verkoop van de fabriek, op 19 maart 1887, op 74-jarige leeftijd. Op 5 maart 1889 verhuisde Witte naar Den Haag. Een jaar later verkocht hij, samen met een gevolmachtigde van zijn zus, het voormalige woonhuis van hun moeder aan Sophiastraat 42. Het pand werd verkocht voor 15.000 gulden.

Uit de periode van Firma W. Hoogendijk zijn voor zover bekend geen luciferdoosjes of etiketten bewaard gebleven.

Charles Loyens en de opkomst van ‘De Vlinder’

Op 7 januari 1885 werd de fabriek verkocht aan de 38-jarige Charles Johannes Loyens (1846–1913). Op dat moment was Loyens nog sigaren- en tabakswinkelier aan de Grote Markt in Breda. Hij was getrouwd met Cornelia Jonkers, met wie hij twee dochters kreeg.

Loyens hoefde de volledige koopsom niet direct te betalen. Jannetje van Capellen leende hem ruim 13.000 gulden, waarbij de fabriek als onderpand diende.

Na de overname begon Loyens direct met het moderniseren van het bedrijf. De fabriek produceerde verschillende soorten lucifers, waaronder Zweedse, Engelse en fosforlucifers. Deze werden verpakt in de inmiddels gebruikelijke luciferdoosjes.

Aan het begin van de jaren 1890 kwam de jonge Zweedse werktuigbouwkundig ingenieur Anders Pållson bij de fabriek werken. Hij ging voortaan de naam Anders Paulson gebruiken en speelde een belangrijke rol bij de technische modernisering van het bedrijf.

Paulson verkreeg vier patenten voor machines die verschillende onderdelen van het productieproces automatiseerden. Hiermee konden binnen- en buitendoosjes worden gemaakt, luciferdoosjes automatisch worden gevuld en onderdelen van de productie continu doorgaan. Zijn uitvindingen trokken ook buiten Nederland de aandacht: Duitse machinefabrikanten kochten later zijn patenten. Ook ontwikkelde hij een vernieuwend model luciferdoosje, het zogenoemde driekwartdoosje.

De fabriek werd in deze periode meerdere keren uitgebreid. Er kwamen grotere stoomketels en met behulp van een dynamo kon het bedrijf voortaan zijn eigen elektriciteit opwekken. Ook werden in de fabriek elektrische lampen aangebracht, wat voor die tijd bijzonder modern was.

Vanaf ongeveer 1890 werd de naam Nederlandsche Stoomlucifersfabriek De Vlinder gebruikt. Daarnaast introduceerde het bedrijf de Zweedse naam Fjärillen als fabrieksmerk.

In de jaren 1890 bood de fabriek werk aan ongeveer 150 tot 170 mensen. Dagelijks werden er zo’n 50.000 doosjes lucifers geproduceerd.

Uitbreiding van het fabrieksterrein

Onder leiding van Charles Loyens werd het fabrieksterrein aanzienlijk uitgebreid. In 1889 kocht hij een lange strook grond naast het bestaande terrein. Deze liep vanaf de achterzijde van Ceresstraat 21 helemaal door tot aan de spoorlijn.

Op 21 augustus 1891 vroeg Loyens bij de gemeente Teteringen toestemming om de voormalige arbeiderswoningen aan de voorzijde van het terrein te verbouwen en bij de fabriek te betrekken. Deze woningen waren eerder gebouwd in opdracht van Firma W. Hoogendijk.

In 1896 verhuisde Loyens naar Antwerpen. In 1904 keerde hij terug en vestigde hij zich aan de Ceresstraat, die destijds in de gemeente Teteringen lag. In februari 1903 kocht Loyens voor 9.980 gulden nog eens 4.990 vierkante meter grond. Dit perceel lag achter de herenhuizen aan de Ceresstraat.

In 1904 kocht hij voor 7.000 gulden de woning aan Ceresstraat 27. Een jaar later volgde Ceresstraat 29, waarvoor hij 8.730 gulden betaalde. Dat laatste pand liet hij in 1906 verbouwen. Via de achterzijde stond het perceel rechtstreeks in verbinding met het fabrieksterrein.

Loyens had ook persoonlijk belangstelling voor moderne techniek. In 1905 reed hij rond in wat destijds de grootste auto van Brabant zou zijn geweest. Daarmee was hij de derde autobezitter van de gemeente Teteringen. Loyens verkocht Ceresstraat 29 een jaar voor zijn overlijden. Enkele jaren later werd het huis bewoond door de burgemeester van Teteringen. Daarna betrok de familie Maas de woning.

In januari 1907 verkocht Charles Loyens de inmiddels sterk uitgebreide luciferfabriek De Vlinder aan Leonardus Jacobus Maria Eras en technisch directeur Anders Paulson. Eras stamde uit een welgestelde Tilburgse textielfamilie. Een jaar later trouwde de jongste dochter van Charles Loyens met de oudste broer van Leonardus Eras.

Hoewel Loyens de fabriek had verkocht, kocht hij in 1911 nog een klein perceel van 459 vierkante meter op het fabrieksterrein. Later vestigde hij zich opnieuw in Antwerpen. Daar overleed hij in 1913 aan acuut nierfalen.

Lange tijd werd aangenomen dat Loyens in 1916 in Roosendaal een nieuwe luciferfabriek begon. Dat kan echter niet kloppen, omdat hij toen al drie jaar was overleden. De oprichter van deze fabriek bleek Charles André Loyens te zijn, een zoon van de broer van Charles Loyens.

Eras & Paulson en de Zweedse invloed (1907–1920)

Onder leiding van Eras en Paulson bleef de fabriek groeien. Vanaf 1907 voerde het bedrijf de naam Eras en Paulson, voorheen Ch. Loijens. Het fabrieksterrein werd opnieuw uitgebreid en ook de brandveiligheid kreeg aandacht.

Aan de overzijde van de Ceresstraat lag in die tijd nog een groot, onbebouwd terrein. Arbeiders van de luciferfabriek verbleven daar tijdens hun pauzes. In 1909 werd het terrein omheind en ingericht als sportveld. Het kwam bekend te staan als de Wei van Siegmund. Vanaf dat moment was het niet langer vrij toegankelijk voor de fabrieksarbeiders. Niet iedereen legde zich daarbij neer: in 1910 vernielden jongeren een deel van de omheining.

In 1912 werd een sprinklerinstallatie aangelegd. Voor die tijd was dit een bijzonder moderne vorm van brandbeveiliging. Dat was geen overbodige luxe in een fabriek waar met zeer brandbare materialen werd gewerkt en waar in 1871 al eens een verwoestende brand had gewoed.

Op 12 augustus 1920 fuseerden drie Nederlandse luciferfabrikanten: Eras & Paulson, de Nederlandsche Lucifersfabriek in Eindhoven en Dijkerman & Co., dat inmiddels de naam Teteringsche Stoomlucifersfabriek droeg. Samen gingen zij verder als de N.V. Vereenigde Hollandsche Lucifersfabrieken (VHLF).

Via deze nieuwe onderneming kreeg de Zweedse industrieel Ivar Kreuger, internationaal bekend als de ‘luciferkoning’, indirect invloed op de Nederlandse luciferindustrie.

De fabriek onder de VHLF

Na de fusie moest worden bepaald welke van de twee luciferfabrieken in Teteringen in bedrijf zou blijven. De spoorwegdirectie adviseerde om niet te kiezen voor het fabrieksterrein van de voormalige Dijkerman & Co. Op die locatie stond namelijk al een spoorwegviaduct gepland. Dit viaduct werd later gebouwd en ligt er tegenwoordig nog steeds.

Mede daardoor viel de keuze op de fabriek aan de Ceresstraat. Hier werd de luciferproductie na de fusie voortgezet.

De eerste steen opnieuw ontdekt

In maart 1951 werd tijdens een verbouwing een bijzondere ontdekking gedaan. Achter een afgebroken muur kwam de eerste steen tevoorschijn die Jannetje Hoogendijk in 1871 had gelegd. De steen bevond zich oorspronkelijk in de muur van het toenmalige kantoor op het fabrieksterrein en droeg het opschrift ‘J.M. Hoogendijk’.

Op 19 december 1951, precies tachtig jaar na de oorspronkelijke plaatsing, kreeg de steen tijdens een feestelijke bijeenkomst een nieuwe plek. Hij werd ingemetseld in de gevel van het bekende luikenhuisje aan de Ceresstraat met daarachter een loden koker. Deze plechtigheid werd verricht door Jannetjes kleinzoon ir. Witte Hoogendijk, in aanwezigheid van onder anderen zijn broer Dirk Albert Hoogendijk.

Het einde van de fabriek

In de buurt stond de luciferfabriek bekend als ’t Lucifer. In 1967 kwam na 97 jaar definitief een einde aan de luciferproductie. De gebouwen bleven daarna nog tientallen jaren in gebruik bij de aangrenzende brouwerij.

In 2004 sloot InBev de brouwerij aan de Ceresstraat. Alleen het nieuwe hoofdkantoor bleef op het terrein gevestigd. Tussen 2005 en 2007 werden de voormalige fabrieksgebouwen gesloopt. Ook het herkenbare luikenhuisje verdween. In de gevel van dit gebouwtje bevond zich sinds 1951 de eerste steen van Jannetje Hoogendijk.

De eerste steen en de koker bewaard

Jan Laurijssen, die destijds bij de brouwerij werkte, voorkwam dat de eerste steen en de bijbehorende koker tijdens de sloop verloren gingen. Hij zorgde ervoor dat beide historische voorwerpen werden overgebracht naar Lucifermuseum Levant in Prinsenbeek.

Enkele jaren later sloot het museum zijn deuren. Een groot deel van de collectie ging naar een verzamelaar in Engeland. De eerste steen en de koker bleven echter in Nederland: een Nederlandse verzamelaar, Ad Jansen, wist beide voor zijn eigen collectie te behouden. Een afschrift van het document uit de koker werd ondergebracht bij het Stadsarchief Breda.

Dit verhaal is samengesteld uit notariële akten, kadastrale hulpkaarten en leggers, gemeenteverslagen en historische kranten. Met dank aan het speurwerk van lucifersverzamelaar Ad Jansen uit Eindhoven en Stadsarchief Breda.